“Zoals je wellicht weet betekent symbiose een geheel van delen die niet zonder elkaar kunnen functioneren”.
Ooit, toen de mensen uit het dorp nog nooit op la Bosse (da’s frans voor bult) waren geweest, woonden er boven op la Bosse een heleboel mensen samen in een heel groot kasteel. Ze kwamen nooit naar beneden, naar het dorp, la Bosse was hun terrein.
De mensen op la Bosse konden niet zonder elkaar leven en met elk van hen was er wel wat wonderbaarlijks. De een kon alleen maar zien; hij kon niets horen, niet spreken, niet voelen en geuren kon hij ook niet onderscheiden. Hij zág alles en ze noemden hem daarom de ‘Visionair’. Daar boven op de Bosse woonden ook nog de Luisteraar, de Stem, de Denker, de Voeler, de Probleemoplosser, de Allesweter, de Acteur, de Angsthaas, de Sportieveling, de Gedachtelezer, de Onderhandelaar, de Uitdager, de Helper, de Persoonlijkheid en uiteindelijk was er nog iemand die nauwelijks zelfrespect had. Zo weinig dat ze hem niet eens een naam konden geven. Ze noemden hem wel eens Dik de Gans, maar ‘t was niet precies wat ze bedoelden.
{readmore}Zo waren ze allemaal wonderbaarlijk en ondanks dat ze samen in dat kasteel woonden en wisten dat ze afhankelijk van elkaar waren en ze allemaal hun eigen goede bedoelingen hadden, ging er toch nog wel eens iets mis. Communiceren bijvoorbeeld was een groot probleem. Al kon de Voeler wel aanvoelen waar de anderen mee bezig waren, hij raakte nog wel eens geïrriteerd als de Visionair weer eens met z’n stillevens op de proppen kwam. Terwijl je hier zo zit en ontspannen luistert, kun je je wellicht voorstellen wat voor ‘n scènes daar op de Bosse ontstonden. De Probleemoplosser bijvoorbeeld dacht altijd dat hij de enige was die de kasteelgrachten kon zuiveren en liet de Helper dan ook nooit in zijn probleem binnen. Zelfs de Onderhandelaar kwam er op zo’n moment niet in en trok zich dan terug in zijn eigen kleine wereldje zodat niemand zich meer kon herinneren dat hij zo goed was in onderhandelen. De Sportieveling wilde graag wel eens weglopen, maar de Persoonlijkheid weerhield hem daar dan weer van. De Voeler was regelmatig depressief want hij kon niet aanvoelen dat de Acteur een spelletje speelde. Wanhopig werden de wonderbaarlijk wezens op de Bosse daar wel eens van.
Het was weer eens zo’n dag dat alles mis ging. Je kunt het bijna vóór je zien nietwaar? Al die wonderbaarlijke wezens die met hun hoofd in hun handen zaten te peinzen, te piekeren en te puzzelen. Hoe krijg ik alle plaatjes passend, dacht de een, ik voel alleen maar zorgen dacht de ander, waar blijven de resultaten, waar heeft de Persoonlijkheid zich nu weer verstopt, en ík kan niet tegen onzekerheden, “Ík wil dit niet langer” riep de Stem …., oh jee, wat dan wel …… zie je de Angsthaas voor je? Zo waren ze allemaal met zichzelf bezig en in zichzelf verdiept. Er was nog maar weinig beweging en het plaatje van de Bosse werd steeds waziger en waziger en waziger. Iedereen baalde ervan dat niemand iets presteerde. Ineens wist de Oplosser dat de anderen ook problemen op konden lossen, maar hij kon ze het niet bijbrengen, hij was geen leraar. En zo wist niemand dat hij de kwaliteiten van de anderen óók in zich had.
Je kunt je misschien voorstellen dat het niet zo best ging met die wonderbaarlijke wezens op la Bosse. Maar op een dag …
Dat doet me denken aan een beroemd gedicht dat de “Regendag” heet en daarin staat: “In ieders leven moet af en toe wat regen vallen, sommige dagen zijn duister en triest.”[1]
Wel, dit was zo’n dag, veel erger nog dan zo maar duister en triest. De wonderbaarlijke wezens zagen dat er donkere dreigende dikke wolken boven la Bosse hingen. ‘t onweerde en bliksemde, stortregende en waaide, iedereen rende door elkaar heen als kippen zonder kop om de ramen en deuren te sluiten, om zichzelf te beschermen en om er zeker van te zijn dat de wind niets en niemand mee zou nemen.
Niemand wist wat de anderen wilden of wat ze bedoelden en binnen de kortste keren was het een warboel van geschreeuw, geluister, gevoel….en ‘t ene na ‘t andere plaatje kwam tevoorschijn. Chaos dus daarboven op de Bosse. Ze wilden echt wel voor elkaar zorgen maar wisten absoluut niet hoe. De Stem riep alsmaar: “Help, help ons toch”, de Voeler voelde dat hij kracht moest verzamelen, de Visionair zag dat alle hulpbronnen aanwezig waren, en de Onderhandelaar probeerde iedereen op een lijn te krijgen. Er waren wonderbaarlijk dingen aan de gang en alleen de Allesweter wist dat het niet de Regendag was maar dat het de dag van de integratie was.
Ondertussen dachten de mensen beneden in het dorp dat het de dag van de wedergeboorte was. Ze zagen dat de Bosse zachtjes trilde en glansde, glansde in het maanlicht en het zonlicht tegelijk en het leek of dat gekke grote kasteel een enorme lichtbal was. De sterren vielen er voortdurend naar binnen en al dat licht weerkaatste over de bergen en dalen in de hele omgeving. Grote kristallen nestelden zich op de regenbogen en het kasteel huilde van ontroering, tranen als prachtige diamanten vloeiden langs de muren, stroomden langzaam naar elkaar toe en vormden een schitterend beekje dat uitkwam in een fonkelende rivier. Een rivier van koud en toch warm en helder water waar alle beperkingen, angsten en onzekerheden in wegvloeiden. Wegvloeiden naar de rand van het land waar ze transformeerden en er alleen het zwoele, zilte zeewater overbleef.
De mensen uit het dorp renden ondertussen la Bosse op om te kijken wat er aan de hand was. Ze konden niet anders, ze werden aangetrokken door de prachtige beelden die ze zagen. Ze renden en renden en toen ze er uiteindelijk waren … was er niets te zien, niets meer te zien van al die wonderbaarlijke wezens noch van het kasteel, er lagen alleen wat ganzenveren verspreid over een weide, alsof de gans niet meer bestond. Sindsdien worden ganzenveren gebruikt om verhalen mee te schrijven.
Ondertussen zat er beneden in het dorp een mooi, mollig meisje dat niet kon lopen maar wel alles zag en jaren later vertelde ze nog steeds over die bijzonder speciale dag dat iedereen uit het dorp de Bosse op rende en terwijl ze naar het pad keek dat van het kasteel kwam, kwam daar een MAN aanlopen. ‘t Was de mooiste man die ze ooit gezien had, hij straalde en hij liep daar zo zeker van zichzelf. Aan elke stap die hij zo vastberaden en zo zorgvuldig nam kon ze zien dat hij respect had voor alles om zich heen en ook voor zichzelf dus. Hij had geen bagage bij zich. Veel had hij niet nodig onderweg. Hij groette haar vriendelijk en vroeg haar of ze wist waar de regenboog begon. Hij hoefde alleen nog maar de brug tussen hemel en aarde te bewandelen om zijn doel te bereiken, zei hij. Ze vroeg hem of dat niet te ver weg was … en hij vertelde haar dat hij alles aankon. Dus wees ze hem het pad naar de regenboog en hij bedankte haar. Toen hij zich omdraaide en verder liep, zag ze dat hij een papiertje liet vallen. Ze riep het hem nog achterna maar hij zei dat hij het onthouden had, hij had ook dat papiertje niet meer nodig, hij ging andere papieren halen. Nieuwsgierig als ze was vouwde ze het open en ze las: “Je kunt een probleem niet oplossen door dezelfde manier van denken waardoor het probleem ontstond.”[2]
Verwonderd keek ze hem na terwijl hij naar zijn toekomst stapte. Hij twijfelde geen moment en liep recht op zijn doel af. En ze dacht: nou dan zal hij op de Bosse ook wel geleerd hebben om anders te denken.
Ben Licher, 2003
[1] Uit het gedicht van Longfellow: “De regendag”
[2] Vrij naar Einstein


0 reacties ↓
Nog geen reacties... Begin jij nu?
Om spam te voorkomen moet je inloggen voor reacties.